Waarom ik méér wil betalen voor mijn eten

Op opzoeknaardemakers.nl onderneem ik een zoektocht naar een eerlijke waardering van de makers van ons eten. Daarbij staat de dialoog centraal. Middenin in de samenleving voer ik het gesprek over de vraag hoe we onze economie zo kunnen inrichten dat een eerlijke prijs de regel wordt en niet langer uitzondering is. Ik doe dit werk omdat ik het belangrijk vind dat we de makers (van ons eten) eerlijk waarderen. Overigens: niemand betaalt voor dit artikel, mijn inkomen komt uit particuliere giften. Daardoor kan ik onafhankelijk werken. Welkom op opzoeknaardemakers.nl!

Het maatschappelijk gesprek over voedsel is verworden tot een verhit vingerwijzen. Je bent voor de boeren, of je bent tegen ze. Terwijl het daadwerkelijke probleem dieper ligt. Namelijk bij onze bereidheid om de makers van ons eten eerlijk te betalen. We betalen te weinig voor ons voedsel. Maar welke politicus durft ons die spiegel voor te houden?

Waar de stikstofcrisis voor veel Nederlanders uit de lucht kwam vallen, ervaren de boeren diezelfde crisis als de druppel die de emmer doet overlopen. Boeren worden door velen verantwoordelijk gehouden voor een groot gedeelte van onze landelijke stikstofuitstoot. Dit, terwijl ze al decennialang in touw zijn om hun uitstoot te verminderen, zo verweren veel boeren zich. Op eigen kosten, nota bene.

Maar dat niet alleen. Door continu veranderende regelgeving zet Den Haag boeren opnieuw en opnieuw voor het financiële blok. Boeren die over de lange termijn kijken worden de dupe van een systeem dat iedere vier jaar overstag gaat met aan het roer een nieuwe minister. Onze agrariërs zijn het beu en hebben dat geluid het afgelopen anderhalf jaar oerend hard op de kaart gezet.

Een boer kan niet groen doen als hij rood staat

Aan de ene kant is dat terecht. De hand die je voedt bijt je immers niet. En gebeten, zo voelt menig boer zich. Door burgers die stemmen op politieke partijen die steeds maar striktere milieuwetgeving doorvoeren. Wetgeving waar uiteindelijk niet voor die stemmende burger, maar voor de boer een prijskaartje aan hangt. Terwijl diezelfde burger, zo beluister ik wanneer ik spreek met pluimveehouder Pieter Bouw, kiest voor goedkoop wanneer zij voor het schap verandert in een consument. Niet bereid is te betalen dus, voor haar politieke keuze. “Lossen jullie het maar op, maar wij betalen er niet voor.” Dit is wat boeren ervaren dat de samenleving naar hen roept.

In een in 2020 door Ruikrok NetPanel uitgevoerd onderzoek geeft 68% van 605 ondervraagden aan niet vaker biologische producten te kopen vanwege prijs.

Echter een boer kan niet groen doen als hij rood staat. Timo Hoogeboom, algemeen directeur van HAK, duidt dit treffend: “Binnen de neerwaartse spiraal waarin ons landbouwsysteem zich bevindt zijn consumenten, retailers en producenten niet bereid de prijs te betalen die eten echt kost als boeren het op een duurzame manier zouden produceren.”

En, zegt Timo: “Wanneer een teler overstapt op een duurzamere manier van telen, wat zo nodig is voor het behoud van onze planeet, neemt hij risico. Bijvoorbeeld door groene gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken die meer geld kosten, of door minder gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Zo’n stap, die hij neemt ten behoeve van ons allemaal, kan betekenen dat oogsten verloren gaan. Wat zich vertaalt in kosten die een teler niet kan doorberekenen aan zijn klant. Bij HAK vinden we dat de samenleving die kosten moet dragen, niet de boer.”

Ik ging langs bij HAK omdat het bedrijf een tegendraads geluid laat horen. HAK vindt dat de samenleving, niet de boer, de kosten voor duurzame productie moet dragen. In mijn gesprek met algemeen directeur Timo Hoogeboom lees je hoe het bedrijf praktisch handen en voeten geeft aan deze visie.

De inperking van het boerenbedrijf: hard nodig

Aan de andere kant is de inperking van het Nederlands boerenbedrijf juist hard nodig. De omvang van de Nederlandse landbouwsector – en het veebedrijf in het bijzonder – is een bedreiging gaan vormen voor onze al schaarse en kwetsbare natuur; in de geïndustrialiseerde veehouderij is een dierenleven niet zelden een noodlottig bestaan; en de druk waaronder sommige boeren moeten werken kan leiden tot financiële zorgen, eenzaamheid en zelfs zelfmoord

Met haar stikstofuitspraak stelt de Raad van State paal en perk aan de natuurschade die zal volgen uit onze gemeenschappelijke stikstofuitstoot, omdat ze vindt dat die onacceptabel is. Maar hoe je het ook wendt of keert, boeren, en in het bijzonder veehouderijen, zijn medeverantwoordelijk voor die uitstoot.

Een decennialange jacht op meer voor minder

Toch kunnen we niet alleen de boeren de schuld geven van de schaal waarop veel van hen vandaag de dag produceren. Na de Tweede Wereldoorlog droeg de Nederlandse overheid, onder leiding van minister Sicco Mansholt, boeren op zoveel mogelijk voedsel tegen een zo laag mogelijke prijs te produceren. Honger, zoals die was geleden tijdens de jaren 40-45, wilde niemand meer. De overheid stimuleerde – namens ons allen – grootschaligheid.

De Nederlandse politicus Sicco Mansholt drukte een ongeëvenaarde stempel op het Nederlandse en later Europese landbouwbeleid. Klik hier als je meer wilt lezen over zijn werk en leven.

Toch kunnen we niet alleen de boeren de schuld geven van de schaal waarop veel van hen vandaag de dag produceren.

Genoeg te eten, dat vindt iedereen belangrijk. Maar een beleid dat bedoeld was om honger uit te bannen heeft nu, decennia later, desastreuze gevolgen voor boer, dier en planeet. In de eerste jaren van het zoveel-mogelijk-eten-voor-een-zo-laag-mogelijke-prijs leek het allemaal niet op te kunnen. Hoeveel boeren ook produceerden, de samenleving vroeg altijd om meer. In de jaren 70 echter begon dit ongebreidelde optimisme te kantelen. Voor het eerst produceerden boeren te veel: meer dan we met elkaar op konden. Zo werd in 1984 het melkquotum ingevoerd om het melkoverschot dat in de jaren ervoor was ontstaan, in te dammen.

Wat begon als een strijd tegen honger werd een jacht op ‘meer voor minder’. En dat creëerde een bizarre economie: terwijl de prijzen die we als consumenten voor onze boodschappen en andere uitgaven betaalden verdriedubbelden sinds 1975 (wat overigens normaal is, prijzen stijgen nu eenmaal ieder jaar een beetje), is de prijs die een boer gemiddeld betaald krijgt voor zijn melk vrijwel gelijk gebleven (de prijs schommelt al jaren rond de €0,30 per kilogram).

Ik leerde eerder dat melkprijzen niet berekend worden per liter, maar per kilogram. Wat telt is namelijk de hoeveelheid vet en eiwitten in een liter. Rechtstreeks van de koe bevat melk zo’n 4,2% vet. Volle melk in de winkel bevat 3,5% vet en halfvolle melk 1,5%. Bij de boer heeft een liter melk dus een ander gewicht dan in de winkel.

De stijging van consumentenprijzen tegenover de achterblijvende melkprijs

Gemiddelde opbrengstprijs per kilogram melk in euro’s. Bron: Agrimatie.nl. Omdat Wageningen universiteit de melkprijs voor het eerst noteerde in 1975 gebruik ik dat jaar als startpunt. Ontwikkeling consumentenprijsindex (CPI), 1975 = 100. Bron: CBS. De CPI is het indexcijfer dat het prijsverloop weergeeft van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. Lees hier hoe de CPI is opgebouwd.

Een hels karwei

Onder normale omstandigheden brengen ondernemers in iedere andere sector hun klanten jaarlijks een iets hogere prijs in rekening. Als consumenten zijn we hieraan gewend: omdat je salaris meestijgt ‘voelt’ €3,13 voor een zwembadkaartje in 2019 niet heel anders dan €1 voor datzelfde kaartje in 1975 deed.

Het is op deze manier dat ondernemers hun kosten, die ook jaarlijks stijgen, kunnen blijven dekken. Een melkveehouder echter moet jaar na jaar een salaris zien over te houden aan min of meer dezelfde opbrengstprijs.

Hoe kan dat? Door steeds meer te produceren.

Als je dit jaar meer verkoopt dan vorig jaar – bijvoorbeeld 950.000 kilogram melk in plaats van 900.000 kilogram – maak je extra kosten voor iedere extra verkochte kilogram (voer, stroom, mestafvoer), maar als je vaste kosten (stallen, je eigen arbeid) gelijk blijven kun je toch een beter salaris verdienen. Je totale opbrengsten zijn namelijk groter terwijl een deel van je kosten – je vaste kosten – gelijk blijft.

Áls dat je lukt. Ieder jaar meer moeten produceren tegen een lagere prijs is een hels karwei – zeker als je weet dat een faillissement dreigt als het niet lukt. Ons economisch systeem dwingt steeds de boeren die het niet meer redden, te stoppen: sinds 1950 gaat het aantal landbouwbedrijven iedere 20 à 25 jaar door de helft. En de bedrijven van de boeren die overblijven, worden steeds groter.

Iedere 20 à 25 jaar halveert het aantal landbouwbouwbedrijven in Nederland

Hier gaat het mis: in de supermarkt

In dezelfde periode dat boeren harder werkten voor minder werden supermarkten machtiger. In 2021 zijn er feitelijk nog maar vijf inkopende partijen over: Albert Heijn, Jumbo, Superunie (voor alle kleinere ketens zoals Dirk, Plus en Hoogvliet), Lidl en Aldi.

Die supermarkten proberen consumenten voor zich te winnen met de laagste prijs. En daar gaat het mis. Want zij berekenen die prijs vervolgens door aan hun leveranciers.

Mijn gesprek met voormalig C1000-directielid René Bakker wierp een verhelderend licht op de invloed die supermarkten hebben én niet hebben op de beloning van partijen door de keten heen. Het interview lees je hier.

Gemeengoed in Nederland: “Ook vandaag bent u bij Jumbo weer het goedkoopst uit!”

Terwijl de supermarkt bepaalt voor welke prijs jij een product mag kopen, bepaalt de supermarkt óók de prijs waarvoor een leverancier een product mag verkopen. En dat is scheef. Door als consument te kopen bij de supermarkt is het precies die macht – de inkoopmacht over de maker van je eten – die je uit handen geeft.

Terwijl de supermarkt bepaalt voor welke prijs jij een product mag kopen, bepaalt de supermarkt óók de prijs waarvoor een leverancier een product mag verkopen. Dat is scheef. Door als consument te kopen bij de supermarkt is het precies die macht – de inkoopmacht over de maker van je eten – die je uit handen geeft.

 Dat is problematisch op meerdere fronten. De beperkingen van het circulaire ecosysteem aarde hebben we allang overschreden. Dieren zijn nummers geworden. En de makers van ons eten? Zij nemen in aantallen af en verdienen als gevolg van de druk die supermarkten op hen uitoefenen, structureel minder dan de rest van Nederland.

Salarissen lopen achter in de landbouw

Omdat salarissen niet met elkaar te vergelijken zijn gebruikt Cor Pierik, landbouweconoom bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, een alternatieve methode om aan te tonen dat de ontwikkeling van salarissen achterblijft in de agrarische sector. De grafiek hieronder zet de bruto toegevoegde waarde die alle werknemers in Nederland samen creëren af tegen de bruto toegevoegde waarde die alle werknemers in de agrarische sector samen creëren. Bruto toegevoegde waarde wil zeggen: alles wat een werknemer oplevert voor een bedrijf in een jaar tijd. Omdat salarissen een onderdeel vormen van de bruto toegevoegde waarde kun je zien dat die achterblijven in de agrarische sector.

Salarissen zijn niet met elkaar te vergelijken omdat boeren ondernemers zijn die winst of verlies maken en geen salaris verdienen zoals werknemers dat doen.

Bruto toegevoegde waarde per arbeidsjaar

Het is niet zo dat supermarkten buitensporige winsten maken ten koste van hun leveranciers. Echter, de lage prijzen waarmee ze ons als consument verleiden berekenen ze door aan de makers van ons eten. En daarmee leveren zowel supermarkten als wijzelf een cruciale bijdrage aan onderwaardering van de makers van ons eten, iets waar supermarkten liever niet over praten.

volg mijn zoektocht

Ik ben op zoek naar een eerlijke waardering van de makers van ons eten. Zoek je met me mee?

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Economie als wedstrijd

Je zou kunnen stellen dat dit nu eenmaal de werking is van een markteconomie. De producent die het beste product levert tegen de laagste prijs, wint. Een waarheid als een koe, binnen de kaders van ons huidig economisch systeem. Maar dan doen we ook alsof die kaders een door God zelf ingesteld instituut zijn.

Zelfs binnen een geleide markteconomie als de Nederlandse klontert economische macht samen bij platforms ten koste van de mensen die het daadwerkelijke werk doen. Ik zie dit niet alleen in de voedselindustrie, maar ook in de kledingindustrie, elektronicasector en in mijn eigen sector (de schrijnende tarieven in de journalistiek waren een van de belangrijkste redenen voor het starten van opzoeknaardemakers.nl).

De verwerpelijke gevolgen van onze economie zijn dusdanig nijpend dat het hoog tijd wordt voor een herziening van het dogma dat economie moet gaan over winnen. Kapitalisme is een geloof, een paradigma. Kiezen voor een ander paradigma, of een verbeterde versie van hetzelfde paradigma, is ook een optie.

Niet het kunnen aanbieden van de laagste prijs, maar het kunnen creëren van waarde zou het uitgangspunt voor beloning moeten zijn. Zeker als je inzoomt op eten doet de wedstrijd die we gemaakt hebben van werken onrecht aan de waarde die de makers van ons eten in hun werk leggen. We worden als samenleving steeds afhankelijker van een steeds kleiner wordende groep boeren die steeds minder verdient – weigerend de waardering die zij verdienen voor hun werk te betalen.

Niet het kunnen aanbieden van de laagste prijs, maar het kunnen creëren van waarde zou het uitgangspunt voor beloning moeten zijn. We worden als samenleving steeds afhankelijker van een steeds kleiner wordende groep boeren die steeds minder verdient – weigerend de waardering die zij verdienen voor hun werk te betalen.

Terwijl het werk dat zij doen waardevoller is dan dat van de meesten van ons. Na zuurstof, slaap en drinkwater is eten onze belangrijkste levensbehoefte.

Hierom verdient de boer mijn (financiële) waardering

In onze samenleving stroomt financiële waardering naar de economische activiteiten die de meeste groeipotentie laten zien. Die groei ontstaat waar we zoveel mogelijk kunnen krijgen voor een zo laag mogelijke prijs. Terwijl supermarkten boeren onderbetalen, investeren ze fors in thuisbezorging. Toch lukt het Albert Heijn, Jumbo en Picnic maar niet om de daadwerkelijke prijs voor die bezorging aan consumenten in rekening te brengen. “Het is een ingewikkelde en verliesgevende markt”, zegt retaildeskundige Paul Moers. “Geen van de drie bedrijven maakt winst. Sterker nog, Picnic draait enorme verliezen.”

In Nederland waarderen we goedkoop. Terwijl werk dat échte, intrinsieke waarde toevoegt onze waardering ontbeert.

In Nederland waarderen we goedkoop meer dan werk dat échte, intrinsieke waarde toevoegt

In onze samenleving verdienen specialisten topsalarissen maar weten zij niet langer hoe ze eten moeten verbouwen. Hoe gezond is het dat we op een samenleving van 17,5 miljoen mensen maar 53.000 landbouwbedrijven hebben? Willen we als burgers wel een belangrijk deel van ons voedsel importeren? Waarom geven we onze voedselvoorziening uit handen aan supermarkten? Wanneer de wereld zoals we die kennen instort – door een coronavirus bijvoorbeeld, of een burgeroorlog in de Verenigde Staten (niets lijkt nog onmogelijk) – blijkt voedsel ineens belangrijker te zijn dan we misschien dachten.

Hierom wil ik meer betalen voor mijn eten. Want de maker van mijn eten zou mijn respect moeten verdienen, mijn interesse moeten genieten, op mijn steun moeten kunnen rekenen en mijn waardering, inclusief mijn financiële waardering, moeten krijgen.

De problemen die de landbouw veroorzaakt – zoals het stikstofoverschot – zijn echt. Maar zijn ook een direct gevolg van de lage prijs die jij en ik boeren betalen en het beleid dat wordt gevoerd door de politieke partijen waar we op stemmen. Bedenk goed wat de komende jaren écht belangrijk zal worden. En dus jouw waardering verdient. Betaal een eerlijke prijs aan degene die jou daarin voorziet en stem op een politieke partij die eerlijke beloning mogelijk maakt.

En supermarkten: geef openheid over de prijs die jullie je leveranciers betalen en leg verantwoording af over de opbouw van die prijs.

Praat je mee onder het artikel?

Op zoek naar een economie die échte waarde beloont

Ik ben op zoek naar een economie die échte waarde beloont. Ik weet dat dit idealistisch is. Maar wie niet waagt, wie niet wint.

Daarom heb ik, op basis van de Agro-Nutri Monitor 2020, uitgerekend welke prijs ik als consument gemiddeld zou moeten betalen voor een liter melk om ervoor te zorgen dat het huidige aantal melkveehouders een eerlijk inkomen kan verdienen met een kleinere veestapel, zonder te hoeven exporteren.

De eerlijke prijs voor een liter melk is gemiddeld €1,98, tegenover een gemiddelde van €0,87 nu.

Hoe ik dit heb uitgerekend? Lees ‘t hier:

Waardeer je mijn werk?

Deel dit artikel dan op sociale media…

Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter

…of doe een duit in het zakje. Voor dit artikel is namelijk niet betaald. Door niemand. Zo kan ik onafhankelijk werken.

Echter mijn tijd is geld waard. Net als de makers van ons eten staan de makers van journalistiek onder druk. In het internettijdperk is het vrijwel onmogelijk om een eerlijk salaris te verdienen met onafhankelijke journalistiek.
 
Daarom leg ik de bal bij jou. Ik maak mijn werk vrij toegankelijk. Zo kan iedereen deelnemen aan het gesprek op opzoeknaardemakers.nl.
 
Waardeer je mijn werk? Doe dan een duit in het zakje van de maker ervan.
 

Beelden: Maurice van der Spek