Kun je mijn zoektocht waarderen?

Net als de makers van ons eten staan de makers van journalistiek onder druk. In het internettijdperk is het praktisch onmogelijk om onafhankelijke journalistiek te maken én een eerlijk inkomen te verdienen. Als creatieveling heb je vaak maar twee opties: je verdient een topsalaris maar laat je denken en creativiteit bepalen door commerciële belangen óf je verkiest de vrijheid, maar bijt op een houtje. 

Het internet heeft informatie toegankelijker gemaakt en dat is een groot goed. Echter gratis informatie creëert ook de schijn dat het maken ervan gratis is. Onafhankelijke journalisten zijn er door de komst van het internet financieel gezien zwaar op achteruit gegaan.

Het in 2018 verschenen boek How Britain Really Works van Stig Abell biedt een pijnlijk simpele uitleg van de manier waarop de komst van het internet kwaliteitsjournalistiek ten dode opschreef:

“Het wegvallen van omzet uit advertenties, niet uit de verkoop van kranten, is de hoofdreden dat de gedrukte pers zich op een dodelijk spoor bevindt: advertentiebudgetten die voorheen werden uitgegeven bij kranten komen nu ten goede aan Facebook en Google, zonder dat de eerstgenoemde groep daar andere inkomstenbronnen tegenover kan zetten. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw (en daarvoor) zag je redacteurs nog wel eens achteloos een advertentie wegsnijden wanneer deze de ‘flow’ van de krant doorbrak of de ‘looks’ van een pagina verpestte. Dat deden ze zonder te overleggen met het team dat de advertentie had verkocht, of ook maar de koper in te lichten. Een paginavullende advertentie – toen misschien wel £30.000 waard – werd klakkeloos naar de prullenbak verwezen. Vandaag de dag zouden redacteurs zo’n advertentie bedelend in de armen sluiten.”

“De meerderheid van alle digitale uitgaven heeft maar twee bestemmingen: Facebook (wat fungeert als een portaal naar het hele internet) en Google (dat je zoekresultaten bepaalt). In 2016 verdiende Google £4,6 miljard met advertenties en Facebook £1,6 miljard, terwijl advertenties bij alle Britse nieuwsorganisaties tezamen £420 miljoen in het laatje brachten. Uiteraard was het de laatste groep die betaalde voor journalistiek.”

Hoewel Stig Abell het Britse medialandschap beschrijft, zijn de effecten van Facebook en Google op Nederlandse media niet anders. In mijn eigen zoektocht naar een eerlijk inkomen voor mijn werk als onafhankelijk journalist ondervond ik de hierboven beschreven neerwaartse financiële spiraal aan den lijve. Als freelancer kwam ik vast te zitten tussen een gebrek aan omzet bij mediabedrijven, wat zich vertaalt in lage tarieven, en het overweldigende aanbod van concurrent-freelancers. In mijn poging een bestaan op te bouwen als freelancer werd ik geconfronteerd met schrijnende tarieven. Een luttele honderd euro verdienen met een stuk waar je bijna een dag aan hebt gewerkt, nog even los van de honderden uren aan onderzoek op basis waarvan je überhaupt een zinvolle bijdrage kunt leveren over een thema, is diep triest. Ik ben niet op zoek naar het grote geld, maar wil wel een gezin kunnen onderhouden.

Het gebrek aan inkomsten heeft geleid tot een journalistiek die is verzot op clicks, bezoekersaantallen en opbrengsten, in plaats van een journalistiek die is geïnteresseerd in waarheid en kwaliteit. Stig Abell vervolgt:

“[…] het is een treffende toevalligheid dat het Engelse woord ‘hit’ zowel toepasbaar is op drugsgebruik als op de consumptie van online media: beide leggen iets bloot van een honger naar onbevredigende kortetermijnkicks. Verhalen worden consumptieklaar gemaakt door een ‘social’-team: slimme jongelui die Facebook en (in veel mindere mate) Twitter gebruiken om de aandacht te trekken. Het is een uitwisselbaar beroep geworden dat zijn eigen clichés met zich meebrengt: ‘Expliciete foto roept bizarre reactie op bij vrouw’; ‘J.K. Rowling maakt korte metten met Donald Trump’; ‘Wat de Paus zegt over de vluchtelingencrisis zou je wel eens kunnen shockeren’; enzovoorts. Ik wed dat je ook vandaag al door een paar van dit soort koppen bent gebombardeerd. Andere verhalen worden geschreven enkel met als doel de zoekmachines van Google tevreden te stellen: journalisten krijgen opgedragen stukken te schrijven die vragen beantwoorden als ‘Wie is Piers Morgan en waarom presenteert hij GMB vandaag niet?’, ‘Hoe laat speelt Chelsea vanavond tegen Manchester United?’, of ‘Hoe bak ik een kalkoen?’.”

Alan Rusbridger, van 1995 tot 2015 hoofdredacteur van The Guardian, reflecteert in Mijn turbulente jaren als hoofdredacteur van The Guardian op de ontwikkelingen die de journalistiek in de jaren van zijn hoofdredacteurschap doormaakte: van papier tot vertrouwenscrisis. Rusbridger duidt als geen anders de maatschappelijke crisis die zich voor onze ogen voltrekt doordat marktwerking de maatschappelijke waarde van journalistiek uitholde:

“Het ultieme argument voor de journalistiek is dat gedegen verslaggeving nog steeds een publiek goed is. Maar hoe kun je dat publieke goed op waarde schatten in een tijd waarin, in de woorden van politiek filosoof Michael Sandel, ‘de markt en marktwaarde ons leven zijn gaan beheersen als nooit tevoren. […] Marktwaarden kunnen belangrijke, niet-vermarktbare waarden in het gedrang brengen.’ […] nu we geconfronteerd worden met de ontzagwekkende schaal, de populariteit en de overweldigende commerciële macht van de titanen uit Silicon Valley, schreeuwen alle media moord en brand over de verwoestende werking van de vrije markt voor de traditionele pers. Na twintig jaar van ontwrichtende ontwikkelingen is misschien geen van de oude conventionele verdienmodellen voor serieuze nieuwsvoorziening in het publieke belang nog levensvatbaar. Tegelijkertijd is goede journalistiek ook nooit eerder zo hard nodig geweest. We hebben dringend behoefte aan het werk van journalisten, dat op zijn best neerkomt op het scheiden van leugens en waarheid.”

Vertaling van de passages uit ‘How Britain Really Works’: Maurice van der Spek

Uiteindelijk gaat opzoeknaardemakers.nl over een eerlijke waardering van alle makers — inclusief journalistieke. Daarom leg ik de bal bij jou. Ik maak mijn journalistiek werk vrij toegankelijk omdat ik wil dat iedereen kan deelnemen aan het gesprek. Kun je mijn zoektocht waarderen? Doe dan een duit in het zakje van de maker ervan.

Een bijdrage kun je overmaken met onderstaande gegevens:

Stichting opzoeknaardemakers.nl
IBAN: NL12 ABNA 0813 6497 30
Op naam: OPZOEKNAARDEMAKERS.NL

Hartelijk dank voor je waardering van mijn werk!