Waarom ik méér wil betalen voor mijn eten

Welkom op opzoeknaardemakers.nl! Wie gaan er schuil achter de supermarkt? Wat betekent het om eten te maken? En hoe raakt jouw euro degene die werkt voor je eten? Dat ontdek je op mijn zoektocht naar de makers van ons eten. Als onafhankelijk journalist neem ik je mee op reis door de wereld van de makers van ons eten.

Boeren komen vaak net wel of net niet rond van de prijs die we hen betalen. De prijs die we hen betalen, want supermarkten handelen namens ons. Ik vind dat schrijnend: eten is na zuurstof, drinkwater en slaap onze belangrijkste levensbehoefte en zou een goed inkomen moeten opleveren voor de makers ervan. Daarom ben ik op zoek naar een economie die van een eerlijke prijs de norm maakt.

Terwijl de supermarkt bepaalt voor welke prijs jij een product mag kopen, bepaalt de supermarkt óók de prijs waarvoor een boer een product mag verkopen. En dat is scheef. In 2021 zijn er feitelijk nog maar vijf inkopende partijen over: Albert Heijn, Jumbo, Lidl, Aldi en Superunie (de centrale inkooporganisatie achter alle andere supermarkten zoals Plus, Dirk en Hoogvliet). Wanneer ik boodschappen doe bij één van deze ketens geef ik de inkoopmacht over de makers van mijn eten uit handen. 

En dat is problematisch. Supermarkten oefenen zoveel druk uit op boeren dat zij structureel minder verdienen dan de rest van Nederland. Zo weinig zelfs, dat boeren zich soms zorgen maken of ze zelf hun boodschappen nog wel kunnen betalen. En niet de financiële ruimte hebben om te investeren in een duurzame toekomst. Hoe kan het bestaan dat degenen die voor mijn eten werken zich zorgen maken of ze zelf wel voldoende te eten hebben?

Het is niet zo dat supermarkten buitensporige winsten maken ten koste van hun leveranciers. Maar dit is er wel aan de hand: supermarkten verleiden ons met te lage prijzen en gebruiken hun macht om die prijzen door te berekenen aan de makers van ons eten. Waarmee zowel de supermarkten als wijzelf onrecht doen aan die makers als we boodschappen doen in de supermarkt.

Tekst loopt door onder foto

Gemeengoed in Nederland: “Ook vandaag bent u bij Jumbo weer het goedkoopst uit!”

We willen duurzamer eten, maar betalen de makers ervan onder

Ondertussen klinkt vanuit de samenleving de roep om duurzaamheid steeds luider. Terecht: we bevinden ons in een klimaatcrisis (Nederland bovendien in een stikstofcrisis), de landbouw – en de veehouderij in het bijzonder – heeft een groot aandeel in dat probleem en niets doen is geen optie meer. Het boerenbedrijf moet minder intensief.

Echter onze roep om duurzaamheid is ook wrang als je beseft dat we degenen van wie we die duurzaamheid verlangen, onderbetalen. Pluimveehouder Pieter Bouw merkt op dat burgers stemmen op politieke partijen die steeds maar striktere milieuwetgeving doorvoeren, maar daar niet voor willen betalen. “Lossen jullie de milieu- en klimaatproblemen maar op, maar wij betalen er niet voor.” Dat is wat boeren ervaren dat de samenleving naar hen roept.

Een boer kan niet groen doen als hij rood staat

Pieters woorden vinden weerklank in een onderzoek van Ruikrok NetPanel. In 2020 gaf 68% van 605 ondervraagden aan niet vaker biologische producten te kopen vanwege prijs. En dáár zit de kern van het probleem. Dit gesprek zou niet moeten beginnen bij de boer, maar bij onszelf. Of beter gezegd: in onze portemonnee.

Een boer kan immers niet groen doen als hij rood staat. Timo Hoogeboom, algemeen directeur van HAK, duidt dit treffend: “Wanneer een teler overstapt op een duurzamere manier van telen, wat zo nodig is voor het behoud van onze planeet, neemt hij risico. Bijvoorbeeld door groene gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken die meer geld kosten, of door minder gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Zo’n stap, die hij neemt ten behoeve van ons allemaal, kan betekenen dat oogsten verloren gaan. Dat zijn kosten die een teler niet kan doorberekenen. Bij HAK vinden we dat de samenleving die kosten moet dragen, niet de boer.”

ontdek je met me mee?

Je kunt natuurlijk iedere week checken of ik al een nieuw verhaal heb gemaakt. Makkelijker nog is het als je hier je e-mailadres achterlaat. Dan houd ik je op de hoogte over nieuwe verhalen en krijg je inkijkjes achter de schermen.

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Een decennialange jacht op meer voor minder

Toch is het niet gek dat we boeren collectief onderbetalen. Na de Tweede Wereldoorlog droeg de Nederlandse overheid – onder leiding van landbouwminister Sicco Mansholt – boeren op om zoveel mogelijk voedsel te produceren tegen een zo laag mogelijke prijs. Honger, zoals we die hadden gekend in de jaren 40-45, wilde niemand meer. De overheid stimuleerde boeren om op steeds grotere schaal te produceren.

Genoeg te eten, dat vindt iedereen belangrijk. Maar een beleid dat was bedoeld om honger uit te bannen heeft nu, decennia later, desastreuze gevolgen voor boer, dier, planeet en consument. 

Wat begon als een strijd tegen honger werd een jacht op ‘meer voor minder’. Het creëerde een bizarre economie: melkveehouders krijgen al sinds 1975 ongeveer dezelfde prijs voor hun melk (rond de €0,30 per kilogram). Maar voor onze boodschappen zijn we sinds datzelfde jaar meer dan drie keer zoveel gaan betalen. Wat overigens heel normaal is: prijzen, net als je salaris, stijgen ieder jaar een beetje. Wat niet normaal is, is dat de melkprijs al die jaren al hetzelfde is.

Tekst loopt door onder grafiek

De stijging van consumentenprijzen tegenover de achterblijvende melkprijs

Jaargemiddelde opbrengstprijs melk, per kilogram in euro’s. Bron: Agrimatie.nl. Omdat Wageningen universiteit de melkprijs voor het eerst noteerde in 1975 gebruik ik dit jaar als startpunt.

Ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI), 1975 = 100. Bron: CBS. De CPI is het indexcijfer dat het prijsverloop weergeeft van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. Lees hier hoe de CPI is opgebouwd.

Eerder leerde ik dat melkprijzen niet berekend worden per liter, maar per kilogram. Wat telt is namelijk de hoeveelheid vet en eiwitten in een liter. Rechtstreeks van de koe bevat melk zo’n 4,2% vet. Volle melk in de winkel bevat 3,5% vet en halfvolle melk nog maar 1,5%. Bij de boer heeft een liter melk dus een ander gewicht dan in de winkel. De prijs wordt mede bepaald op basis van het gewicht.

Een hels karwij

Dat prijzen ieder jaar een beetje stijgen, daar zijn we aan gewend. €3,13 voor een zwembadkaartje voelt in 2019 niet heel anders dan dat bij wijze van spreken €1 voor datzelfde kaartje deed in 1975. Je salaris stijgt immers ook.

Een melkveehouder daarentegen moet jaar na jaar een inkomen zien over te houden aan min of meer dezelfde opbrengstprijs, terwijl zijn kosten jaar in jaar uit stijgen. Hoe hij dat volhoudt? Door steeds meer te produceren.

Als je dit jaar meer verkoopt dan vorig jaar – bijvoorbeeld 950.000 kilogram melk in plaats van 900.000 kilogram – maak je extra kosten voor iedere extra verkochte kilogram. Je koopt meer voer, misschien een paar extra koeien, betaalt meer elektriciteit en moet meer mest afvoeren. Maar je vaste kosten – zoals je stal en je eigen arbeid – blijven gelijk. Zo houd je toch een beter inkomen over. Je totale opbrengsten zijn groter terwijl je vaste kosten gelijk blijven.

Boeren zijn geen slachtoffers. Schaalvergroting heeft meer oorzaken dan alleen een lage opbrengstprijs en boeren waren er zelf bij toen ze alsmaar groter groeiden. Maar feit is dat ons voedsel te goedkoop is en dat wij als consumenten zo jaren lang hebben bijgedragen aan een steeds groter wordende agrarische sector.

Ook zien boeren op individueel niveau vaak geen uitweg uit het web van leningen, belastingachterstanden en hoge kosten. Groter groeien is een kortetermijnoplossing die een langetermijnstrop wordt. Want ieder jaar meer moeten produceren is een hels karwei – zeker als er een faillissement boven je hoofd hangt wanneer die groei niet doorzet.

Om toch een inkomen over te houden proberen veel boeren alsmaar meer te produceren tegen lagere kosten, maar slagen daar niet in. En zo dwingt ons economisch systeem steeds de boeren die het niet meer redden, te stoppen: sinds 1950 gaat het aantal landbouwbedrijven iedere 20 à 25 jaar door de helft. De bedrijven die overblijven, worden steeds groter.
 
Tekst loopt door onder grafiek

Iedere 20 à 25 jaar halveert het aantal landbouwbouwbedrijven in Nederland

Werk als wedstrijd

Je zou kunnen zeggen dat dit nu eenmaal de werking van de markteconomie is. De producent die het beste product levert tegen de laagste prijs, wint. Een waarheid als een koe – binnen de kaders van ons huidig economisch systeem. Maar dan doen we ook alsof die kaders een door God zelf ingesteld instituut zijn.

Zelfs binnen een geleide markteconomie als de Nederlandse klontert economische macht samen bij platforms ten koste van de mensen die het daadwerkelijke werk doen. Ik zie dit niet alleen in de voedselindustrie, maar ook in de kledingindustrie, elektronicasector en in mijn eigen sector, de journalistiek.

Dat we de mensen die werken voor ons eten onderbetalen is één van de grootste schandalen van onze moderne samenleving. Niet het kunnen aanbieden van de laagste prijs, maar het kunnen creëren van waarde zou het uitgangspunt voor beloning moeten zijn.

Dat we te weinig betalen aan de mensen die werken voor ons eten is één van de grootste schandalen van onze moderne samenleving.”

Zeker als je inzoomt op eten doet de wedstrijd die we van werk hebben gemaakt onrecht aan de waarde die de makers van ons eten in hun werk leggen.

Waarom ik méér wil betalen voor mijn eten

In onze samenleving verdienen specialisten topsalarissen maar weten zij niet langer hoe ze hun eigen eten moeten verbouwen. Hoe gezond is het dat we op een samenleving van 17,5 miljoen mensen maar 53.000 landbouwbedrijven hebben? Willen we als burgers wel een belangrijk deel van ons voedsel uit het buitenland halen? Waarom geven we onze voedselvoorziening uit handen aan supermarkten? Wanneer de wereld zoals we die kennen stokt – door een coronacrisis bijvoorbeeld, of een burgeroorlog in de Verenigde Staten (niets lijkt nog onmogelijk) – blijkt voedsel ineens belangrijker dan we al die tijd misschien dachten.

De maker van mijn eten zou mijn respect moeten verdienen, mijn interesse moeten genieten, mijn steun moeten krijgen en op mijn waardering, inclusief mijn financiële waardering, moeten kunnen rekenen. Daarom wil ik méér betalen voor mijn eten.

De maker van mijn eten zou mijn respect moeten verdienen, mijn interesse moeten genieten, mijn steun moeten krijgen en op mijn waardering, inclusief mijn financiële waardering, moeten kunnen rekenen.

Supermarkten: geef openheid over jullie inkoopprijzen

De milieu- en klimaatproblemen die de landbouw veroorzaakt zijn reële problemen. Maar zijn ook een direct gevolg van de lage prijzen die jij en ik boeren via onze supermarkten betalen en het beleid dat wordt gevoerd door de politieke partijen waar we op stemmen. Laten we opnieuw nadenken over wat écht belangrijk is en dus onze waardering verdient. Laten we een eerlijke prijs betalen aan degenen die ons daarin voorzien en onze steun geven aan politieke partijen die zich inzetten voor een eerlijke beloning.

En supermarkten: geef openheid over jullie inkoopprijzen en leg verantwoording af over de opbouw van die prijs. Alleen zo weet ik als consument of ik de makers van mijn eten eerlijk waardeer.

Waardeer je mijn werk?

Doe dan een duit in het zakje…

…of vertel je vrienden over opzoeknaardemakers.nl.

Share on linkedin
Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp

Ik maak mijn werk vrij toegankelijk. Zo kan iedereen deelnemen aan het gesprek op opzoeknaardemakers.nl. Echter mijn tijd is geld waard. Waardeer je mijn werk? Doe dan een duit in het zakje, vertel je vrienden over opzoeknaardemakers.nl of word partner.

Beelden: Maurice van der Spek