Al sinds in 2010 het idee op mijn pad kwam om journalist te worden is dit mijn grote vraag: hoe kan ik onafhankelijk werken én een eerlijk inkomen verdienen? Ik geloof namelijk niet dat achteraan aansluiten voor een hongerloon – zoals gangbaar is in de journalistiek – de bedoeling is voor mijn leven. Pas na jaren van frustratie over onderbetaling begin ik in te zien welke krachtenvelden er ten grondslag liggen aan een financieel ongezonde journalistiek. Dit is mijn zoektocht naar een eerlijke waardering voor onafhankelijke journalistiek.

Deze pagina fungeert als verantwoording voor de rol die ik inneem als journalist. Ik wil expliciet maken hoe ik die rol zie en waarom. Omdat mijn werk in alles een zoektocht is – ook in mijn kijk op journalistiek – pas ik deze pagina van tijd tot tijd aan. Laatste update: mei ’21.

Het is voorjaar 2013. Ik ben 23 jaar oud, sta op het punt om mijn bachelor International Public Management af te ronden en wil als ik klaar ben de journalistiek in. Maar hoe doe ik dat – zonder enige ervaring en opleiding in dat werkveld?

Met een klein portfolio en veel goede bedoelingen onder de arm gooi ik lijntjes uit. Zo kom ik aan het telefoonnummer van de oom van een vriend van me. De man is al 25 jaar journalist en verantwoordelijk voor een aantal uitgaven van KLM. Volgens mijn vriend kan ik hem best eens vragen hoe hij aan zijn opdrachten komt.

Mijn hart klopt in mijn keel als ik op mijn studentenkamer het telefoontje pleeg. Het zal mijn katapult de in journalistiek blijken. Als ik ophang heeft hij gevraagd of ik voor hem wil komen werken.

De vrije markt als hét antwoord

En zo begint mijn journalistieke loopbaan bij KLM Club Africa. Via Skype interview ik gelukszoekers, wereldverbeteraars en systeemdenkers over ondernemen op het Afrikaans continent. Het is een buitenkansje voor me. Mijn hoofdredacteur haalt zijn rode pen door meer dan 150 van mijn creaties en brengt me zo het klappen van de zweep bij.

Ik ben dankbaar voor mijn eerste betrekking en krijg goed betaald voor mijn inzet, maar naarmate de tijd vordert groeit mijn onvrede over de manier van denken bij KLM. Voor mijn opdrachtgever maak ik verhalen over de geweldig snelle economische groei die sommige Afrikaanse landen doormaken, de indrukwekkende ondernemingen die geïnterviewden er in de stijgers weten te zetten en de investeringskansen die dat oplevert. “Grijp uw kans schoon op het continent van de onbeperkte economische groei”, is impliciet de boodschap.

Maar wat moet ik met de kanten van Afrika die niet zo glorieus zijn? Hongersnoden, oorlogen, arbeidsuitbuiting – allemaal realiteiten die er óók spelen. Binnen het frame waarin ik opereer zijn landen markten en is het mijn rol om te verhalen over de commerciële kansen die daar liggen. Met natuurlijk als achterliggend doel: vliegstoelen vullen.

Ik krijg het gevoel dat de vrije markt hét antwoord is op alle uitdagingen waar het Afrikaans continent mee worstelt. Ik stoor me in toenemende mate aan de eendimensionale werkelijkheid die mij wordt gevraagd te schetsen, maar als ik vraag of ik ook vraagtekens mag plaatsen bij het handelen van bedrijven en overheden is daar – hoe logisch ook – geen ruimte voor.

Overbevolkt haaienbassin

Dus besluit ik mijn geluk elders te beproeven. Met mijn opgedane ervaring in het schrijven van Engelstalige verhalen over Afrika zet ik mijn eerste stappen richting redacties. Ik kom thuis van een koude kermis. Tarieven blijken geenszins in verhouding te staan tot het uit te voeren werk en de concurrentie is overweldigend. Illustratief voor de freelancemarkt waar ik me nu in begeef is een reactie van de BBC op één van mijn voorstellen:

 “It does sound like an interesting project but we are just very busy at the moment and already have a long backlog of pieces to turn round.”

Dat ik reactie krijg zegt me dat ik serieus word genomen. Maar ook dat ik geen enkele kans maak wanneer een redacteur niet uit gebrek aan interesse de boot afhoudt, maar omdat hij de toestroom van stukken niet weet weg te werken. Het is de zoveelste tegenslag en het voelt alsof ik zwem in een overbevolkt haaienbassin. Samen met veel te veel andere freelancers heb ik het gemunt op veel te weinig plaatsingsruimte die veel te slecht wordt betaald.

Ik concludeer: dit kan niet de weg zijn. Ik wil werken als onafhankelijk journalist, maar geloof niet dat het de bedoeling kan zijn dat ik achteraan moet aansluiten voor een hongerloon. Ik kan het op dat moment nog niet zo onder woorden brengen, maar intuïtief ben ik er al van overtuigd dat mijn werk van waarde is, daarom een eerlijk salaris verdient en uitgevoerd moet kunnen worden onder gezonde omstandigheden.

Een dodelijk spoor

Al met al leveren mijn ervaringen in de freelancejournalistiek een boel frustratie op. Pas veel later begrijp ik welke krachtenvelden er aan die ervaringen ten grondslag hebben gelegen. In zijn in 2018 verschenen boek How Britain Really Works duidt Stig Abell treffend het onvermogen van de journalistieke sector om geld te verdienen sinds het moment dat het internet haar intrede deed. Hij schrijft:

“Het wegvallen van omzet uit advertenties, niet uit de verkoop van kranten, is de hoofdreden dat de gedrukte pers zich op een dodelijk spoor bevindt: advertentiebudgetten die voorheen werden uitgegeven bij kranten komen nu ten goede aan Facebook en Google, zonder dat de eerstgenoemde groep daar andere inkomstenbronnen tegenover kan zetten. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw (en daarvoor) zag je redacteurs nog wel eens achteloos een advertentie wegsnijden wanneer deze de ‘flow’ van de krant doorbrak of de ‘looks’ van een pagina verpestte. Dat deden ze zonder te overleggen met het team dat de advertentie had verkocht, of ook maar de koper in te lichten. Een paginavullende advertentie – toen misschien wel £30.000 waard – werd klakkeloos naar de prullenbak verwezen. Vandaag de dag zouden redacteurs zo’n advertentie bedelend in de armen sluiten.”

Hij voegt toe: “De meerderheid van alle digitale uitgaven heeft maar twee bestemmingen: Facebook (wat fungeert als een portaal naar het hele internet) en Google (dat je zoekresultaten bepaalt). In 2016 verdiende Google £4,6 miljard met advertenties en Facebook £1,6 miljard, terwijl advertenties bij alle Britse nieuwsorganisaties tezamen £420 miljoen in het laatje brachten. Uiteraard was het de laatste groep die voor journalistiek betaalde.”

Hoewel Abell het Britse medialandschap beschrijft hebben Facebook en Google niet minder voeten aan de grond in Nederland. Helaas droeg het internet niet bij aan een duurzaam journalistiek verdienmodel maar ondermijnde het dat juist. Het gevolg: in de sector wordt er te weinig geld verdiend om de maatschappelijke rol die journalisten zouden moeten innemen op een gezonde manier vorm te geven.

Ongezonde journalistiek

Een voorbeeld daarvan vind ik ‘Welingelichte Kringen’. Welingelichte Kringen biedt synopsissen van artikelen uit nationale en internationale media aan naar eigen zeggen 2,1 miljoen unieke bezoekers per maand (cijfers: 1 mei 2020).

De titel van een bericht over drugsgebruik onder arbeidsmigranten luidt: “Zonder drugs houden arbeidsmigranten werk niet vol: ‘Teamleider staat het toe.’” De eerste twee zinnen van het bericht lezen: “Arbeidsmigranten moeten in Nederland vaak heel hard werken onder slechte omstandigheden en voor een laag loon. Om het zware werk vol te kunnen houden grijpen ze steeds vaker naar goedkope drugs.” Verderop in het artikel lees ik dat “drugsverslaving een verborgen en groeiend probleem [is] bij arbeidsmigranten.”

Cijfers om de woorden ‘vaak’, ‘steeds vaker’ en ‘groeiend’ te onderbouwen ontbreken. Het artikel bestaat uit uitspraken van arbeidsmigranten en vertegenwoordigers van arbeidsmigranten gedaan in een artikel van Trouw. Een opzichtige spelfout en het op één punt ontbreken van leestekens getuigt van de snelheid waarmee het korte artikeltje is geschreven.

Ik geloof zeker dat er een drugsprobleem bestaat onder arbeidsmigranten. Maar hoe het precies zit? Het artikel blijft me het antwoord op deze vraag schuldig. Het sensationele en suggestieve karakter van het bericht vind ik stuitend. De titel kan mij doen denken dat alle arbeidsmigranten drugs gebruiken. Wanneer ik klik op de link naar het oorspronkelijke artikel in Trouw kom ik uit bij een betaalmuur van Blendle. Wat niet bepaald helpt om de juistheid van het artikel op Welingelichte Kringen te beoordelen.

Als Welingelichte Kringen 2,1 miljoen unieke bezoekers per maand trekt laat een niet gering deel van de Nederlandse en Belgische bevolking haar wereldbeeld vormen door dit soort reproductie van andermans journalistiek werk.

Maar niet alleen sites wiens inkomsten afhangen van advertenties en daarmee sensationele berichtgeving die bezoekers trekt, ook kwaliteitsmedia die abonnees hebben en kranten verkopen hebben te lijden onder financiële druk. Zo wordt 40% van de artikelen in Trouw geschreven door freelancers. Er is helemaal niets mis met werken als freelancer en wanneer opdrachtgevers degelijke tarieven betalen kunnen freelancers een mooie aanvulling leveren op het werk van redacteurs in vaste dienst. Maar wanneer Trouw 40% van haar artikelen laat schrijven door freelancers zegt dit mij dat de krant lijdt aan geldgebrek. De verhoudingen zouden anders liggen zou Trouw voldoende inkomsten hebben.

Hoe kan het anders?

Alan Rusbridger, van 1995 tot 2015 hoofdredacteur van The Guardian, plaatst het afbrokkelen van de journalistiek in de context van een onderliggende denktrant die het grote verhaal van onze samenleving mede vormgeeft. In Mijn turbulente jaren als hoofdredacteur van The Guardian reflecteert hij op de ontwikkelingen die de journalistiek in zijn tijd als eindverantwoordelijke voor The Guardian doormaakte: van papier tot vertrouwenscrisis. Rusbridger verwoord als geen ander de maatschappelijke crisis die zich voor onze ogen voltrekt doordat marktwerking de maatschappelijke waarde van journalistiek steeds verder uitholde.

Hij schrijft: “Het ultieme argument voor de journalistiek is dat gedegen verslaggeving nog steeds een publiek goed is. Maar hoe kun je dat publieke goed op waarde schatten in een tijd waarin, in de woorden van politiek filosoof Michael Sandel, ‘de markt en marktwaarde ons leven zijn gaan beheersen als nooit tevoren. […] Marktwaarden kunnen belangrijke, niet-vermarktbare waarden in het gedrang brengen.’ […] nu we geconfronteerd worden met de ontzagwekkende schaal, de populariteit en de overweldigende commerciële macht van de titanen uit Silicon Valley, schreeuwen alle media moord en brand over de verwoestende werking van de vrije markt voor de traditionele pers. Na twintig jaar van ontwrichtende ontwikkelingen is misschien geen van de oude conventionele verdienmodellen voor serieuze nieuwsvoorziening in het publieke belang nog levensvatbaar. Tegelijkertijd is goede journalistiek ook nooit eerder zo hard nodig geweest. We hebben dringend behoefte aan het werk van journalisten, dat op zijn best neerkomt op het scheiden van leugens en waarheid.”

Alan Rusbridger brengt me terug naar mijn bevindingen bij KLM. Als journalist ben ik ontsteld en onderstreept het mijn ervaringen wanneer een voormalig hoofdredacteur van The Guardian stelt dat misschien geen van de oude conventionele verdienmodellen voor serieuze nieuwsvoorziening in het publieke belang nog levensvatbaar zijn omdat de vrije markt ons leven is gaan beheersen als nooit tevoren. Nu begrijp ik hoe het komt dat mijn werk voor KLM goed verdiende maar geen recht deed aan de waarheid. En waarom freelancewerk dat wel recht doet aan de waarheid maar niets wil opleveren.

Vreemd genoeg zijn de meesten van ons hier in mindere of meerdere mate debet aan. Consumenten wanneer zij niet of te weinig betalen voor journalistiek en journalisten wanneer zij zich laten leiden door sensatie.

Mijn grote vraag is deze: hoe kan het anders? Hét antwoord heb ik niet. Maar ik ben bereid offers te brengen voor mijn zoektocht en doe dat al een jaar of tien. Journalisten zijn broodnodig om burgers te voorzien van waarheidsgetrouwe informatie die hen helpt hun wereldbeeld te vormen. Ik vind dat we onszelf als samenleving tekort doen wanneer we journalisten oneerlijk betalen. En wil op zoek naar een journalistieke werkwijze die wél levensvatbaar is.

Hoe zie ik mijn rol als journalist?

Verankerd in het woord ‘journalist’ ligt het woord ‘journaal’: journaal-ist. Het is hoe ik mezelf bij uitstek zie: de ondernemer van een zoektocht die een journaal bijhoudt over zijn ervaringen. Daarbij bewakend het onderscheid tussen mijn eigen verslag van gebeurtenissen, meningen van anderen, mijn eigen mening en de feiten. Mijn ontdekkingen voeden het maatschappelijk gesprek en ik zie het als mijn taak om dat gesprek te leiden.

In de éénentwintigste eeuw is mijn journaal niet van papier maar is het een website. Hoewel het internet de journalistiek economisch gezien om zeep hielp biedt hetzelfde medium op inhoudelijk vlak enorme kansen: het stelt me in staat mijn journaal te delen en anderen uit te nodigen erop te reflecteren. Mijn journalistiek wordt een interactief reisverslag.

Mijn werk ademt mijn wereldbeeld. Titels, koppen, verhaalopbouw, foto’s en ga zo maar door – al deze componenten zijn aan keuzes onderhevig die worden beïnvloed door onderliggende overtuigingen. Ik vind het dan ook belangrijk om open te zijn over mijn overtuigingen. Zo kunnen lezers mijn perspectief plaatsen.

En wie betaalt er voor mijn werk?

Mijn partners dragen eraan bij dat ik mijn werk financieel gezond kan uitvoeren. Partners zijn particulieren en bedrijven die mijn missie onderschrijven en die missie maandelijks financieel en waar mogelijk met hun expertise ondersteunen.

Naast partnerschappen vormen eenmalige donaties een bron van inkomsten.

Doordat een relatief grote groep partners mijn werk financiert met relatief kleine bedragen werk ik onafhankelijk van wiens belang dan ook. Niemand schrijft mij redactionele keuzes voor. En omdat het grootste gedeelte van mijn inkomen uit partnerschappen en donaties komt kan ik nog altijd betaalde opdrachten uitvoeren voor media maar ben ik voor mijn inkomsten niet van deze opdrachten afhankelijk.

Mijn partners spelen me vrij om gedegen onderzoek te doen. Ik heb de tijd om uit te zoeken hoe iets zit voordat ik het opschrijf. Wat mij uiteraard niet onfeilbaar maakt. Want ook ik ben een mens 🙂

Tot slot faciliteert het partnerschapsmodel dat iedereen kan deelnemen aan het gesprek op opzoeknaardemakers.nl. Omdat ik geen betaalmuur opwerp kan een gesprek ontstaan tussen mensen uit allegelederen van de samenleving en beperkt het gesprek zich niet tot hen die willen betalen voor mijn werk.

De vertaling van het fragment uit ‘How Britain Really Works’ is van mijn hand.